Spring naar inhoud

Opleidingsprogramma HBO-V

1.1 De opleiding

Binnen de academie Health Care werken opleiders, onderzoekers, trainers en studenten op innovatieve en ondernemende wijze samen om te komen tot kennisontwikkeling en een voor het werkveld relevant kennisuitwisseling. Wij verbinden onze expertise met de expertise van nationale en internationale partners om samen te werken aan vernieuwing en verbetering van de beroepspraktijk. Zo leiden we naast studenten Verpleegkunde ook professionals op tot praktijkverpleegkundige in de huisartsenpraktijk. We leiden studenten op, verzorgen na- en bijscholing voor professionals, doen vanuit lectoraten onderzoek en adviseren overheden en instellingen op het gebied van vraagstukken rondom zorg en welzijn. Soms doen we ook onderzoek onder/met studenten, daarvoor is een gedragscode opgesteld, die in lijn is met de AVG-wetgeving. Deze is als los document op de pagina te vinden.

Bachelor of Science in Nursing

Alle afgestudeerden van het hoger beroepsonderwijs mogen de titel bachelor voeren. Afhankelijk van de opleiding die je hebt gevolgd krijg je een bepaalde bachelor titel toegekend. Je kunt de titel voeren door achter je naam een afkorting op te nemen. Voor de opleiding HBO-Verpleegkunde geldt de titel Bachelor of Science in Nursing (BScN). De nieuwe titels zijn een gevolg van de invoering van het zogenaamde bachelor-master-systeem in het hoger onderwijs. Door dit systeem wordt het makkelijker om door te stromen naar universiteiten en buitenlandse onderwijsinstellingen.

1.2 Uitgangspunten van Verpleegkunde

In het onderwijsprogramma (curriculum) dat door ons is ontwikkeld, staan een aantal uitgangspunten centraal, namelijk onze visie op verpleegkunde volgens het Neuman Systems Model, de verpleegkundige praktijk en het competentiegericht leren. Dit zijn de pijlers van de opleiding tot verpleegkundige. We zullen dit hieronder beschrijven en toelichten.

Het Neuman Systems Model

Ons onderwijsprogramma is gebaseerd op het Neuman Systems Model (NSM) (Neuman & Fawcett, 2011). Met name in het eerste jaar ligt de nadruk op het bekend worden met en het werken met het Neuman Systems Model.

Betty Neuman

Professor Betty Neuman (11-9-1924 tot 28-05-2022) was christen. Het kenmerkende aan haar model is dat een plaats is ingeruimd voor de spirituele variabele, de geloofskant of zingevingskant van de mens. Zij vindt dat die kant in de verpleegkundige zorg moet worden meegenomen. Vanuit ons geloof vinden wij dat ook, te meer omdat die zingevingskant in de zorg vaak nog weleens wordt verwaarloosd. Naast de spirituele variabele onderscheid Neuman de fysiologische (lichamelijke-, de psychologische-, de sociaal-culturele- en de ontwikkelingsbepaalde variabele. In de opleiding leer je vanuit deze variabelen naar het menselijk functioneren te kijken. 

Competentiegericht leren

Binnen de opleiding staan competenties centraal. Competenties zijn geïntegreerde beroepsvaardigheden, waarin kennis-, houdings-, vaardigheids- en persoonlijkheidsaspecten aanwezig zijn. Competentiegericht onderwijs leidt tot een fundamentele integratie door de student van kennis, houding en vaardigheden, vooral tijdens stage is deze integratie terug te zien. Binnen competentiegericht onderwijs ben je als student verantwoordelijk voor je eigen ontwikkelingstraject. Je maakt gebruik van onderwijsaanbod, maar integreert dit in de eigen ontwikkeling. Een centraal instrument is het portfolio waarmee je gedurende de hele opleiding je ontwikkeling verantwoord. Het portfolio is een belangrijk toetsingsinstrument in competentiegericht onderwijs.
Het onderwijs wordt gegeven in de vorm van thematische, multidisciplinaire programma’s (blokmodules). De thema’s zijn gebaseerd op elementen van de verpleegkundige beroepsuitoefening. Multidisciplinair wil zeggen dat docenten uit verschillende vakgebieden (zoals psychologie, sociologie, geneeskunde) bijdragen aan de onderwijsprogramma’s.

De opleiding heeft gekozen voor een onderwijsopzet waarbij gewerkt wordt in onderwijsgroepen van ongeveer 12 studenten. In deze leergroepen worden de opdrachten uit de programmaboeken besproken en uitgewerkt. In de loop van de opleiding doe je dat met een toenemende zelfstandigheid. Zo moet je in de hogere leerjaren zelf vaststellen welke competenties je nodig hebt en kunt bereiken om een (praktijk)probleem tot een goede oplossing te brengen.
In de onderwijsgroepen leer je ook met elkaar samen te werken. Dat is één van de leerdoelen bij het werken in deze groepen. Zo ben je om de beurt voorzitter en notulist. Het werken in de onderwijsgroepen wordt ondersteund met colleges. In deze colleges krijg je veel informatie en worden structuren met betrekking tot en knelpunten in de leerstof aan de orde gesteld.

De beroepscompetenties uit het competentieprofiel zijn vanaf het begin van de opleiding uitgangspunt voor je leerproces. Het resultaat van de studie moet zijn je alle competenties beheerst. Vanaf het begin ga je aan de slag met het verwerven van competenties. Het verwerven van competenties is een actief en persoonlijk proces waarin je in zekere mate eigen accenten en je eigen route kunt kiezen. Binnen competentiegericht onderwijs wordt het onderwijs ontworpen vanuit de gedachte dat je een competentie met verschillende onderdelen moet opbouwen, je moet kennis verwerven, vaardigheden aanleren, leren reflecteren en al deze elementen in de praktijk leren integreren. Zowel het onderwijs als de toetsing richt zich op deze onderdelen als ook de integratie, zowel in stages, werplekleren als integratieve toets opdrachten.

Didactisch Onderwijsmodel

Voor de opbouw van de onderwijseenheden en de ontwikkeling van leereenheden is gekozen voor een onderwijskundige insteek, door middel van het 4 Componenten Instructional Design model (Jansen-Noordman & van Merrienboer, 2009). Dit model sluit aan bij het competentiegerichte onderwijs, het streven van de opleiding naar geïntegreerd onderwijs en basis die is gelegd met het PGO (Moust, Bouhuijs, & Schmidt, 1989) in casuïstiek die het werk van de hbo verpleegkundige.  Het onderwijs is opgebouwd uit een leertaak die in die week wordt uitgewerkt in ondersteunende informatie (kennis die nodig is), procedurele informatie (procedures, vaardigheden en oefeningen) en deeltaakoefeningen (bepaalde taken die de verpleegkundige routinematig moet kunnen uitvoeren). De leertaken vormen het eerste component die binnen een opleiding de centrale beroepstaken dienen te zijn waarvoor wordt opgeleid, in dit geval voor het werk van de verpleegkundige. Deze leertaken worden gedurende het onderwijs steeds minder ondersteund door informatie en steeds complexer aangeboden om studenten herhaaldelijk te laten oefenen op een transfer van kennis, vaardigheden en attitude. Iedere week dient te worden samengevat in een leertaak (representatieve verpleegkundige situatie met duidelijke taak). De ondersteunende informatie is de tweede component en kan op diverse manieren worden aangeboden (bijvoorbeeld door een hoorcollege over pijn) maar dient dus steeds minder volledig te worden aangeboden en steeds meer door de student zelf te worden verzameld en dient te helpen bij het laatste component namelijk de deeltaken (zoals het invullen van een pijnschaal), vaardigheden en onderwijsonderdelen die studenten kunnen leren te automatiseren.

Leren van opdrachten

Een adequate beroepsuitoefening staat of valt met de vraag of de verpleegkundige in staat is tot het oplossen van beroepsproblemen. Bij het verwerven van competenties krijgt de student dan ook volop de gelegenheid om te oefenen met deze opdrachten. Opdrachten functioneren als aanjagers van leerprocessen en spelen daarmee een sleutelrol in het leren van studenten. Docenten geven opdrachten aan studenten en maken studenten daarmee verantwoordelijk voor hun leren (de Bie, 2003, pp 97). Naar aanleiding van gemaakte opdrachten krijgen studenten feedback aan de hand waarvan zij hun leerproces verder kunnen sturen. Bij competentiegericht leren geldt een aantal specifieke eisen waaraan een opdracht moet voldoen. Zo moeten opdrachten zich richten op het verwerven van competenties, of onderdelen daarvan (kennis, vaardigheid of houdingsaspect). Je leert het meest van een opdracht als deze beroepsproblemen zijn, je leert ten slotte competenties voor het beroep verpleegkundige, het is dus belangrijk dat er een praktijksituatie gecreëerd wordt die berust op de levensechte beroepspraktijk en daarvan een afspiegeling is.  Beroepsopdrachten zijn altijd complex en op het niveau van de verpleegkundige beroepspraktijk afgestemd. Afhankelijk van het studiejaar en afhankelijk van de onderwijsvorm varieert de ondersteuning die de student daarbij krijgt.

Leren Leren en Zelfsturing

Omdat het beroep van verpleegkundige snel veranderd zullen studenten na hun diplomering weer nieuwe competenties moeten leren. Op dat moment is er geen opleiding meer die je daarbij ondersteunt. Tijdens de opleiding moet je dus leren daarin redelijk zelfstandig je weg te kunnen vinden. ‘Leren leren’ wordt dit in veel publicaties genoemd. Bij het ‘leren te leren’ speelt vooral de toenemende zelfsturing een rol. Projectopdrachten en stageopdrachten kunnen naast hun integrale functie goed gebruikt worden om het leren leren te bevorderen.

De kern van het leren leren proces bestaat uit het zelf leren vragen stellen bij nieuwe problemen en het zelf antwoorden daarop vinden. Doordat studenten aan de slag gaan met opdrachten worden deze vragen gestimuleerd. Het is vooral de taak van de docentbegeleiders om adequaat om te gaan bij het genereren van deze vragen. Het zelfstandig leren neemt toe door steeds minder weg te geven, docenten zullen je steeds vaker verwijzen en je vervolgens meer en meer zelf te laten ontwikkelen of ontdekken.

Dit is ook terug te zien in de manier waarop verplichte literatuur en literatuursuggesties worden aangereikt door de studiejaren heen. De opleiding Verpleegkunde hanteert verplichte literatuur die is opgenomen op de literatuurlijst, deze literatuur omvat de toets-stof en dient daarom altijd beschikbaar te zijn voor de student, door aanschaf of door de plaatsing van een pdf op SharePoint. Daarnaast vindt de opleiding het belangrijk dat studenten in het kader van leren leren zelf steeds meer op zoek gaan naar aanvullende, geschikte en adequate literatuur om hun leerproces te sturen. Hiervoor is gedurende de studie een toenemende zelfstandigheid te bemerken in de wijze van aanbod van literatuur.

1.3 Werken in groepen

Tijdens de opleiding Verpleegkunde werk je veel samen in kleine groepen.
Op deze pagina vind je meer informatie over het waarom (visie), de praktische consequenties van de wisselingen en de informatie om het werken in groepen te kunnen evalueren (SEF).

Daarnaast wordt er in de groepen regelmatig met de Zevensprong gewerkt, die komt vanuit het Probleem Gestuurde Onderwijs (PGO). Ook de stappen van de Zevensprong vind je hier.

1.4 Basis Onderwijsprogramma

Verpleegkundige zorggebieden

Om aan te sluiten bij deze brede beroepspraktijk is het onderwijs van de Opleiding Verpleegkundige op Viaa gestructureerd door de VBOC-indeling (VBOC-AVVV, 2006). Deze indeling deelt niet in op ziekte of setting, maar op het soort zorg dat iemand nodig heeft. Bij iedere VBOC is een Viaa-opleidingsspecifieke (OS) omschrijving toegevoegd en de doelgroep omschreven zoals die in het onderwijs van het betreffende VBOC-blok kan voorkomen. Op deze manier moet het voor studenten makkelijker worden om kennis over pijn of depressie niet alleen bij een oudere zorgvrager toe te passen, maar ook bij een kind in het ziekenhuis of een thuiszorgcliënt, of een verstandelijk beperkte zorgvrager.

Zorgsoort Omschrijving Doelgroep
Langdurige zorg Langdurige zorg. Zorg die gekenmerkt wordt door begeleiden en ondersteunen met de focus op de omgaan met handicaps en sociale inclusie (maatschappelijk participatie, gemeenschapszorg) en de bevordering van kwaliteit van (dagelijks) leven. Medische zorg is aanvullend/begeleidend maar zeker niet voorwaardelijk voor de verpleegkundige zorg. Doelgroep: mensen met lichamelijke handicaps, mensen met chronische ziekten, mensen met chronisch psychiatrische aandoeningen, mensen met een verstandelijke handicap, ouderen met leeftijdsverwante problematiek of met niet specifiek geriatrische aandoeningen. Kwaliteit van leven, tertiaire preventie, omgaan met de handicaps en sociale inclusie staan centraal. Dominante zorg: Kwaliteit van leven.
Intensieve Zorg Intensieve zorg (behandelen en begeleiden) Zorg die gekenmerkt wordt door de intensiteit en de complexiteit van de zorgverlening. De ziekte en de behandeling en de consequenties voor het directe functioneren staan centraal. Doelgroep: Mensen met somatische of psychische aandoeningen in de behandelfase. De ziekte, de behandeling van de ziekte en de consequenties van de ziekte voor het directe functioneren staan centraal. 
Dominante zorg: Genezing.
 
Acute Zorg Acute zorg (behandelen) Doelgroep: Mensen met een levensbedreigende aandoening. Geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.
Zorg die kenmerkt wordt door het voorkomen en behandelen van acute levensbedreigende situaties. Medische zorg is hierbij voorwaardelijk. Dominante zorg: triage en stabiliseren.
Preventieve zorg Preventieve zorg (voorkomen) Doelgroep: Kinderen van 0-19 jaar en hun ouders, volwassenen van 19 jaar tot overlijden. Jeugdgezondheidszorg, infectieziektebestrijding, algemene preventieve gezondheidszorg.
Zorg die gekenmerkt wordt door de aandacht voor primaire preventie, het bevorderen van gezond gedrag en het signaleren van gezondheidsbedreigende factoren. Dominante zorg: preventie en pro-actie.

Verpleegkundige domeinen

Het werk van de verpleegkundig is dus generalistisch en breed. In het curriculum van BN2020 is breed opleiden dan ook het uitgangspunt. Breed opleiden leidt tot breed inzetbare, deskundige verpleegkundigen. Om breed inzetbaar te kunnen zijn, moeten studenten vooral bepaalde generalistische competenties te verwerven zoals De Goede & Wijland (2010) beschrijven: creativiteit, zelfontwikkeling, durf, coachen, samenwerken, netwerken, aanpassingsvermogen, innoverend vermogen, overtuigingskracht en nieuwsgierigheid.

De verpleegkundige dient als deskundig zorgverlener zo flexibel de transfer te kunnen maken tussen zorgsettingen en zorgvragers. De nadruk van het onderwijs ligt daarmee op de transfervaardigheden van studenten, het leren verpleegkundige kennis in te zetten in verschillende contexten, settingen en bij verschillende zorgcategorieën.

Op Viaa Verpleegkunde verstaan we onder generalistisch opleiden van verpleegkundigen:

Het opleiden van studenten tot beginnend beroepsbeoefenaren met een generalistisch verpleegkundig beroepsprofiel (16 competenties op basis van de 7 CanMedsrollen), dit houdt in dat studenten worden opgeleid tot verpleegkundigen die in staat zijn optimale zorg te verlenen aan zorgvragers in verschillende settingen, waar in de zorgketen de zorgvrager zich ook bevindt (Lambregts, Grotendorst & Merwijk, 2016).

Tijdens het ontwikkelen van het curriculum BN2020 van Viaa, is het onderwijs zo opgezet dat het binnenschoolse onderwijs en de aard van de competentie toetsen tijdens de stageperiodes of leerwerkplaatsperiodes garant staat voor een generalistische opleiding. De patiëntproblemen komen voor in alle settingen en bij alle zorgvrager-categorieën. Door binnen het onderwijs te variëren in onderwijsvormen zoals simulatiesettingen en casuïstiek is deze generalistische basis te garanderen. De stages dienen echter als een belangrijke plus, ervaringen binnen verschillende contexten zijn wenselijk omdat dit de transfer van de verpleegkundige vergemakkelijkt als zij van positie wisselt in de zorgketen tijdens haar werkzame leven. Studenten worden gestimuleerd een zo divers mogelijke stagerouting te kiezen.

Om aan dit generalistische karakter recht te doen hanteert de Opleiding Verpleegkunde van Viaa daarom 3 domeinen waar het onderwijs aan is opgehangen. Alle onderwijsonderdelen bevatten inhouden vanuit alle drie domeinen, waarbij het domein van het verlenen voor zorg voor de helft deel uitmaakt van de onderwijsinhoud en de andere twee domeinen een kwart vullen van ieder onderwijsonderdeel.

Domein Omschrijving 7 CanMeds 24 Kernbegrippen Opleidings-specifieke kernbegrippen
Verlenen van zorg Vakinhoudelijke leerlijn, praktisch ingevuld met onder andere methodische, communicatie en technische kennis en vaardigheden Zorgverlener
Gezondheids-bevorderaar
Communicator
Klinisch redeneren
Indiceren van zorg
Uitvoeren van zorg
Zelfmanagement
Preventiegericht analyseren
Gezond gedrag bevorderen
Persoonsgerichte communicatie
Inzet ICT
NSM
Ethiek/morele vorming
Zingeving
Kritisch denken
Christelijke beroepshouding
Organisatie van zorg Overstijgende vakinhoudelijke leerlijn gericht op organisatie, samenwerking, leiderschap en   ondernemerschap Samenwerkings-partner Organisator Professionele relatie
Gezamenlijke besluitvorming
Multidisciplinair samenwerken
Continuïteit van zorg
Verpleegkundig leiderschap
Coördinatie van zorg
Veiligheid bevorderen
Verpleegkundig ondernemerschap
NSM
Ethiek/morele vorming
Zingeving
Kritisch denken
Christelijke beroepshouding
Ontwikkeling van zorg Persoonlijk en professionele leerlijn gericht Professional en kwaliteits-bevorderaar
Reflectieve EBP- professional
Kwaliteit van zorg leveren
Participeren in kwaliteitszorg
Onderzoekend vermogen
Inzet EBP
Deskundigheidsbevordering
Morele sensitiviteit
Professioneel gedrag
Professionele reflectie
NSM
Ethiek/morele vorming
Zingeving
Kritisch denken
Christelijke beroepshouding

1.5 Toetsen en toetsprogramma

Volgordelijkheid

De studieroute van de verschillende routes heeft een bewuste volgordelijkheid vanwege thema’s die chronologisch gezien een opbouw in complexiteit en moeilijkheidsgraad hebben door de verschillende onderwijsonderdelen heen.

Alle routes zijn zo vormgegeven dat het afstudeerjaar voor iedere student bestaat uit een stage waarbij ‘handelen’ op het eindniveau (FN4) wordt getoetst en een adviesproject waar ‘advies’ op het eindniveau (FN4) wordt getoetst.

Voor enkele onderwijseenheden zijn drempels opgesteld (OER 5.3.2). Dat betekent dat je bepaalde onderdelen van de studie behaald moet hebben om aan die onderwijseenheden te mogen beginnen. Alle kennis, vaardigheden en attitude componenten die nodig zijn om de competenties van het betreffende onderwijsonderdeel te kunnen behalen worden aangeboden in het voorliggende onderwijs.

Eis voor afstudeeronderdelen FN4 en advies:

  • Voltijd 4 jarige route: Propedeuse, Praktijkleren FN2 en FN3
  • Voltijd verkorte route: Propedeuse
  • Versnelde route: Propedeuse, Praktijkleren FN3

Eis voor Adviesproject:

  • Deeltijd route: Propedeuse

 Eis voor minor: 

  • Voltijd 4 jarige route: Propedeuse
  • Voltijd verkorte route: Propedeuse
  • Deeltijd route: Propedeuse

De minor kan worden gevolgd vanaf het tweede studiejaar (voor verkorte, versnelde en deeltijd studenten), vanaf het derde studiejaar (voor voltijdstudenten) of in het vierde studiejaar (bij minoren met een specifieke toegangseis), onafhankelijk van de planning van de andere onderwijseenheden.

Alleen in zeer uitzonderlijke situaties kan de studentcoördinator een uitzondering maken waarbij afwijken van deze volgordelijkheid verantwoord is, de student zal dan in nauw overleg met de PPO-docent een gedegen onderbouwing moeten verstrekken waarom de student en PPO-docent inschatten dat het onderwijs uit het voorliggende onderwijs voor de student niet noodzakelijk is om (onderdelen van) het afstudeerjaar zonder afbreukrisico te voltooien.

Toetsen

Iedere periode wordt afgesloten met een toetsweek. Daarin worden de onderwijseenheden die je gevolgd hebt, getoetst.  Het toetsprogramma en toetsrooster is vanaf september beschikbaar via een los document die je op deze pagina kunt vinden. Alle toetsvormen die op de opleiding voorkomen staan beschreven in het toetsprogramma van de Academie Health Care.

Binnen hogeschool Viaa hanteren we een procedure waarbij studenten zich zelf dienen in te schrijven op de toetsen. Studenten ontvangen bij ingang van de inschrijvingsperiode een uitgebreide mail met informatie over de wijze van inschrijving van toetsen. Op Onderwijs Online is de ‘handleiding student inschrijving toetsen’ te vinden. Ook zijn op OnderwijsOnline de toetsprogramma’s van de verschillende studieroutes beschikbaar.
De vastgestelde inschrijfperiode duurt 11 dagen. De inschrijfperioden voor collegejaar 2025-2026 zijn:

Periodes Inschrijven voor toetsweek Toetsweek Inschrijven voor toetsen hertoetsweek * Inkijkuren op woensdag Hertoetsweek
Periode 1 25-26 wk 38 T1 wk 45 wk 48 wk 49 HT1 wk 51
  12-9 tm 22-9-25 21-11 tm 1-12-25 HT4/T1  3-12-25
Periode 2 25-26 wk 48 T2 wk 4 Wk 7 wk 8 HT2 wk 11
21-11 tm 1-12-25 6-2 tm 16-2-26 HT1/T2  18-2-26
Periode 3 25026 wk 7 T3 wk 14 wk 17 wk 19 HT3 wk 21
  6-2 tm 16-2-26 17-4 tm 27-4-26 HT2/T3  6-5-26
Periode 4 25-26 wk 17  T4 wk 24 wk 25  let op mail! wk 26 * HT 4 wk 27
  17-4 tm 27-4-26   12-6 tm 21-6-26 HT3/T4  25-6-26  
  • Tip zet deze data direct in je digitale agenda! Buiten de inschrijfperiode om is er géén mogelijkheid om alsnog te worden ingeschreven voor de toetsen, óók niet via de examencommissie of academiedirecteur.

Om de studeerbaarheid en regie op de studie te vergroten willen we meer ruimte bieden om in zelfgekozen momenten verslagen/opdrachten te herkansen.  Hiervoor mogen we ervan uitgaan dat je de 1e kans van een OWE benut in de periode waarin het onderwijs wordt aangeboden. Voor toetsen geldt dat de herkansing dan plaatsvindt in de herkansing van dezelfde periode.

Voor verslagen/opdrachten geldt dat de 1e kans valt in de periode waarin het onderwijs wordt aangeboden, de herkansing kan door de student zelf worden gepland in de herkansingsweken van de periodes erna. Let op: je dient je voor het inleveren van een verslag/opdracht wel in te schrijven.

Identificatie bij toetsen

Studenten zijn verplicht zich te identificeren bij de toetsen. Identificatie vindt plaats door middel van de studentenpas of een wettelijk identiteitsbewijs. Kan een student zich niet identificeren, dan mag hij niet deelnemen aan de toets. 

Toetsdossier

Van iedere student wordt een toetsdossier bijgehouden. In dit dossier bevinden zich bewijsstukken van de voortgang van de opleiding die digitaal of fysiek worden gearchiveerd.

Afwezigheid bij tentamens (ziekte of verhindering)

Wanneer je door ziekte of zwaarwegende omstandigheden niet bij een tentamen aanwezig kunt zijn, dien je dit, voorafgaand aan het tentamen, te melden aan het secretariaat van de opleiding

Toetskansen

Elke student heeft per studiejaar recht op twee toetskansen, tenzij één of meerdere kansen op grond van bepaalde regels of besluiten van de examencommissie niet mogen worden benut. Onder een "kans" wordt verstaan de toets of een hertoets.
De examencommissie HBOV heeft haar beleid rond het toekennen van extra kansen aangescherpt. Extra herkansingen worden alleen verleend op grond van zwaarwegende redenen. Deze staan beschreven in het studentenstatuut Bachelor Opleiding Verpleegkunde. De examencommissie beoordeelt elke aanvraag afzonderlijk.

Vrijstellingen

Vrijstellingen moeten aangevraagd worden bij de examencommissie. De examencommissie kent een verzoek om een vrijstelling toe, indien de student aantoonbaar voldoet aan de vereisten gesteld voor de desbetreffende onderwijseenheid als deel van de opleiding, dan wel voor – in voldoende mate afgeronde - onderdelen daarvan.
Er worden geen vrijstellingen verleend voor onderdelen van het afsluitend examen waarin de eindkwalificaties op eindniveau van de opleiding worden getoetst. Dit betreft de onderdelen Praktijkleren faseniveau 4 en het Adviesproject. Dit geldt voor alle aangeboden routes. De regels en werkwijze omtrent het aanvragen van een vrijstelling zijn te vinden in de OER (5.13).

Als je een vervolgopleiding in de verpleegkunde hebt behaald – op niveau 6 met minimaal 840 studiebelastingsuren – is er de mogelijkheid om een vrijstelling aan te vragen voor de minor. Je kunt hiervoor een verzoek doen aan de examencommissie. Je vervolgopleiding moet, op het moment van afgifte van het getuigschrift, geregistreerd staan bij het NLQF-register.

Aanwezigheidsplicht

Vanaf 2025-2026 is de norm dat de student aanwezig is bij de aangeboden onderwijsactiviteiten. Binnen PPO is de inzet en aanwezigheid bij de aangeboden onderwijsactiviteiten een gespreksonderwerp.

Inkijkuren

Na iedere toets is er de mogelijkheid om je toets in te kijken. In het Viaa studentenstatuut (OER) is in artikel 5.63 het inzagerecht voor gemaakte toetsen vastgelegd. Tijdens de periode van bekendmaking van de resultaten en de herkansingsmogelijkheid kan de student via het Intranet vinden wanneer de blokcoördinator en eventuele andere betrokken docenten ingepland staan voor het inkijkuur van het gemaakte tentamen.

Regels rondom inkijkuren:

De student heeft recht op inzage in de beoordeling van de eigen tentamens, inclusief de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden.

Om fraude te voorkomen, is het de student niet toegestaan (delen van) beoordelingsnormen, toetsopgaven of gemaakte toetsen vast te leggen in welke vorm dan ook. Het is daarom niet toegestaan om schrijfgerei, foto- of filmapparatuur of andersoortige opslagmedia mee te nemen.

De tijdstippen waarop het werk ingezien kan worden, worden door het servicebureau op OnderwijsOnline gepubliceerd, waarbij de momenten van inzage zo gekozen worden dat er voldoende tijd zit tussen het inzagemoment en het eventuele hertentamen waarop de student zich moet voorbereiden.

In verband met de wettelijke beroepstermijn van het College van Beroep voor de examens dient het inzagemoment in elk geval plaats te vinden binnen zes weken na de beoordeling door de examinator.

Indien ten aanzien van een bepaalde toets geen inzagemoment wordt georganiseerd door de opleiding, heeft de student het recht bij de betreffende examinator een inzagemoment aan te vragen. Een dergelijk verzoek tot inzage dient binnen zes weken na de registratie van de beoordeling in het SIS te worden ingediend bij de examinator.

De examencommissie kan bepalen, dat de inzage en de bespreking geschieden op een vaste plaats en op een vast tijdstip.

Wanneer een student niet in de gelegenheid is het inzagemoment te bezoeken, kan via de examencommissie een met redenen omkleed verzoek tot inzage worden ingediend om individuele inzage in het beoordeelde werk te verkrijgen.

Voor meer informatie en meer regelingen zie OER; Opleidingsspecifieke deel: Bachelor Opleiding Verpleegkunde.

Feedback geven tijdens een toets en tijdens het inkijkuur

Tijdens het maken van de kennistoets en tijdens het inkijkuur kun je als student per vraag feedback geven. Deze feedback nemen de blokcoördinatoren mee in de analyse en doorontwikkeling van de toets. Dit is een waardevolle functie, met als keerzijde dat er dusdanig veel feedback wordt gegeven dat de feedback die écht opgepakt moet worden over het hoofd kan worden gezien.

Feedback over taalfouten (inclusief spelling), fouten in de antwoordopties of vraagstelling zijn waardevol. Om de feedback goed te kunnen beoordelen is het van belang dat wordt aangegeven om welke taalfout het gaat, welke fout er in de antwoordopties zit of wat er niet klopt aan de vraagstelling.

Feedback als: ‘staat niet in de toetsmatrijs’ of ‘geen les over gehad’ zijn minder zinvol. Dat komt doordat de toetsdoelen overstijgend zijn en toetsvragen op detailniveau worden gesteld. Datzelfde geldt voor de inhoud van onderwijsbijeenkomsten; in principe komen alle toetsdoelen binnen het onderwijs naar voren, maar in hoeverre alles tot op detail wordt besproken, is afhankelijk van het verloop van bijeenkomsten. Als student ben je medeverantwoordelijk dat leer- en/of toetsdoelen aan de orde komen.

Als de feedback die je hebt betrekking heeft op wat niet in de toetsdoelen of het onderwijs aan de orde is geweest, is het verzoek om dit bij het inkijkuur als feedback te formuleren. Je hebt dan van tevoren kunnen checken of je aanname, dat het niet in de toetsdoelen of het onderwijs voorkomt, klopt.

Als student kun je ook algemene feedback geven op de toets. Dat moet ook algemene feedback zijn en niet op vraagniveau, omdat dit voor een blokcoördinator niet eenvoudig te herleiden is. Iedere student heeft namelijk een toets met een andere vraagvolgorde.

Als student kun je erop vertrouwen dat de blokcoördinator alle feedback in de analyse van de toets meeneemt en eventueel afstemt met een inhoudsdeskundige. Na een inkijkuur wordt alle gegeven feedback doorgenomen. Op basis hiervan zijn de volgende acties mogelijk:

  • Geen actie.
  • Toetsvraag (deels) goed rekenen en cijfers aanpassen.
  • Aanpassingen meenemen in het doorontwikkelen van de toets.

Als individuele student krijg je geen antwoord op de feedback die je geeft.
Mocht naar aanleiding van een inkijkuur aanpassing van een beoordeling van een toetsvraag nodig zijn dan wordt hier afhankelijk van de situatie op individueel of groepsniveau over gecommuniceerd.

Opnieuw onderwijs volgen na 4 toetskansen

Voor iedere toets krijgt de student per studiejaar twee toetskansen. Wanneer de student een kennis- en of casustoets niet haalt in het jaar waarin het onderwijs is gevolgd èn niet haalt in het daaropvolgende jaar, dan kan de student in overleg met de PPO-docent ervoor kiezen om het onderwijs opnieuw te volgen. De voortgang van de studie wordt tijdens de individuele PPO-gesprekken besproken om zo tijdig te signaleren of er hulp nodig is ten aanzien van de toetsen. Indien nodig wordt de decaan ingeschakeld om te helpen bij oa plannen, organiseren en leren. 

1.6 Internationalisering

A person who returns from a journey is not the same as the person who left

Misschien ben je al een tijdje aan het nadenken over een deel van je studie in het buitenland te gaan doen. Misschien verlang je naar vrijheid, avontuur en spanning. Of heb je juist het beeld dat je er even tussen uit wilt uit alle hectiek. Als student in het buitenland zul je andere ervaringen opdoen dan de studenten die in Nederland hun stage gaat lopen. Naast de competentietoetsen zal je te maken krijgen met culturele verschillen, en de onzekerheden en cultuur shock die deze met deze verschillen meekomen.
Culturele veerkracht, aanpassingsvermogen, flexibiliteit en doorzettingsvermogen zijn aspecten die worden aangesproken tijdens een periode in het buitenland. Voor veel studenten is de periode in het buitenland de eerste ervaring met op eigen benen gaan staan. 

Binnen onze opleiding zijn verschillende mogelijkheden om een internationale ervaring op te doen. Zo kun je je praktijkleren (FN3) zowel binnen als buiten Europa uitvoeren.
Je kunt ook een minor volgen in het buitenland, bijvoorbeeld in Noorwegen, Verenigde Staten, of een ander land in Europa.

In het Handboek Internationalisering Health Care op Onderwijs Online onder Onderwijsmateriaal kun je alle informatie vinden. Zoals het doen van een voorbereidende module.

We wensen je heel veel succes bij het nadenken over het doen van een deel van je studie in het buitenland!

Karien Huisman, Leida Janssen, Marian Harink  - Internationale coördinatoren Health Care
Je kunt International Office bereiken via internationaloffice@viaa.nl

1.7 Het Stagebureau

De opleiding biedt je de gelegenheid om kennis te maken en je te ontwikkelen in de beroepspraktijk. Om dit te ondersteunen heeft de opleiding contact met veel verschillende werkveldpartners. Per leerjaar mag je als student je voorkeuren aangeven in OnStage en wordt door het servicebureau-stage een indeling gemaakt. Ook is er de gelegenheid tot het zelf zoeken van een stageplek.

Het stagebureau is verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van voldoende kwalitatief goede stageplekken in de verschillende werkvelden. Om dit mogelijk te maken zijn zowel medewerkers van het servicebureau als docenten in de rol van werkveldcoördinator onderdeel van het stagebureau. Het servicebureau-stage regelt vooral de praktische afhandeling rondom stages, de werkveldcoördinatoren onderhouden contacten met de werkveldpartners om te zorgen voor een goede afstemming van de afspraken, competentietoetsen, begeleidingseisen etc. Ook beoordelen de werkveldcoördinatoren de zelf gevonden stageplekken.

De verschillende werkvelden zijn ingedeeld naar setting, te weten de algemene gezondheidszorg (AGZ), de maatschappelijke gezondheidszorg (MGZ) en de geestelijke gezondheidszorg (GGZ).

  • GGZ: de psychiatrie , verstandelijk gehandicaptenzorg, verpleeghuizen
  • MGZ: thuiszorg, jeugdgezondheidszorg, hospice
  • AGZ: verpleeghuizen, hospice, ziekenhuizen

Per setting zijn er één of meerdere werkveldcoördinatoren aangesteld. Deze contactpersonen zijn te bereiken via het mailadres: 

Het servicebureau-stage is te bereiken via het algemene mailadres stagebureau-hbov@viaa.nl.

Om tot een volwaardige ontwikkeling te kunnen komen als stagiaire in de beroepspraktijk zijn er minimale begeleidingseisen per leerjaar (ook wel faseniveau genoemd) vastgesteld. Je gaat tijdens je stage aan de slag met competentietoetsen die je in de gelegenheid stellen aan de HBO-kwalificaties te voldoen. Deze zijn te vinden op Onderwijs Online onder het kopje Informatie.

Duale leerroute

In samenwerking met het St Jansdal ziekenhuis in Harderwijk bieden we de gelegenheid tot het volgen van een duale leerroute. Deze route is alleen beschikbaar voor voltijds studenten.

De duale route start vanaf semester 2 in leerjaar 3 en loopt door tot eind jaar 4. Die 1,5 jaar heb je een contract bij het St Jansdal en werk je daar op verschillende afdelingen als leerling-verpleegkundige. Je krijgt een contract van 28 uur per week aangeboden voor de duur van de opleiding. 4 uur daarvan mag je aan school besteden, de overige uren sta je als leerling ingepland en ben je onderdeel van de formatie op de afdeling (en sta je dus niet overgepland, zoals bij een reguliere stage wel het geval is).

Je doorloopt in die 1,5 jaar stage Faseniveau 3 (in semester 2 van jaar 3) en stage Faseniveau 4 ( in semester 1 of 2 van leerjaar 4, het andere semester sta je ingepland voor het Adviesproject).

De toelating tot de duale leerroute loopt middels een sollicitatieprocedure bij het St Jansdal. Het ziekenhuis kijkt dan ook naar studieresultaten tot dat moment maar verwacht tevens dat de student zich goed kan profileren als toekomstig leerling-verpleegkundige.

In leerjaar 2 is er een informatiemoment over de duale leerroute voor 2e-jaars voltijdsstudenten, voorafgaand aan de start van de sollicitatieprocedure.

1.8 Planningsoverzicht Onderwijs en Onderwijsroutes

De opbouw

Ieder route is opgebouwd uit een paar vaste elementen, maar kan in volgorde, lengte of inhoud verschillen van de andere routes.

Propedeuse

Ieder route start met de propedeuse (60 ECTS), hierin zit een basissemester of basisblok, 1 VBOC-blok, namelijk Langdurige Zorg en een praktijkleerperiode. In het basissemester leer je hoe het vak verpleegkunde eruitziet. Tijdens het praktijkleren werk je aan je competenties door middel van beroepstaken en beroepsproducten  aan het faseniveau dat je in die periode moet behalen (zie ook Informatie/Praktijkleren'). Om je hierin te ondersteunen volg je tijdens iedere praktijkperiode terugkomonderwijs. Tijdens de opleiding ontvang je op verschillende manieren begeleiding bij je studie. Wij noemen dit persoonlijk professionele ontwikkelingsonderwijs (PPO) en intervisie, een methodische praktijkbegeleiding tijdens stages. Je houdt zelf je vorderingen ten aanzien van je ontwikkeling bij in je portfolio.

Bachelorfase

Hierna volgt het middendeel van de opleiding die voor ieder route verschilt. Een aantal onderdelen zijn vast: hier krijg je de resterende VBOC-blokken. Het gaat dan om Intensieve Zorg, Acute Zorg en Preventieve Zorg. Voor de meeste routes is er een praktijkperiode en volg je terugkomonderwijs. Verder is er ook dit jaar persoonlijk professionele ontwikkelingsonderwijs (PPO) en intervisie waarmee je werkt aan het portfolio.

Afstudeerfase

De afsluiting van de opleiding is gericht op het toewerken naar de competenties van een beginnend beroepsprofessional. Alle routes bevatten een praktijkleerperiode waarin je op het hoogste faseniveau mag laten zien wat je in je mars hebt (Handelen), dit wordt weer ondersteund met terugkomonderwijs. Je krijgt gelegenheid je kennis te verbreden én te verdiepen via het volgen van een minor. Daarnaast is er weer persoonlijk professionele ontwikkelingsonderwijs (PPO) en intervisie en werk je verder met je portfolio.
In het adviesproject waarin je Advisering als Beginnend Beroepsbeoefenaar aftoetst ga je met een een beroepsrelevant project voor een opdrachtgever aan de slag met praktijkonderzoek (actie, ontwerp, beschrijvend).
In de afsluiting van je studie zijn ook de onderdelen Vrije Ruimte ('zie 'Onderwijsmateriaal/Vrije Ruimte' voor omvang en inhoud) en Studium Generale (zie 'Onderwijsmateriaal/Studium Generale' voor omvang en inhoud) opgenomen. Deze onderdelen mag je in principe de hele studie vormgeven. Studenten worden daarover geïnformeerd in hun tweede studiejaar, zodat de focus in het eerste studiejaar op de propedeuse kan liggen.
Voor verschillende groepen studenten zijn verschillende routes met verschillende lengte. Hieronder vind je de verschillende routes. Vanaf het derde leerjaar deelt de opleiding studenten zelf in op het onderwijs per semester, de A-B indeling van voltijd studenten wordt daarbij losgelaten.

BN2020 Viaa Voltijd vierjarig

Basis studieroute, voor studenten met een HAVO of VWO-diploma (start niet meer in 2425), in de rooster vind je dit terug als VVVA/VVVB groepen.

Jaar 1
Blok 1 Blok 2 Blok 3 Blok 4
Basismodule Basismodule Praktijkleren FN1 of Langdurige Zorg of
Langdurige Zorg Praktijkleren FN1
Jaar 2
Blok 1 Blok 2 Blok 3 Blok 4
Praktijkleren FN2 of Intensieve Zorg of Acute Zorg Preventieve Zorg
Intensieve Zorg Praktijkleren FN2
Jaar 3
Semester 1 Semester 2
Praktijkleren FN3 of Minor Minor of Praktijkleren FN3
Jaar 4  
Semester 1 Semester 2
Praktijkleren FN4 of Adviesproject Adviesproject of Praktijkleren FN4
       

BN2020 Viaa Voltijd vierjarig – duaal traject

Voor voltijdse studenten die de vierjarige route volgen is een duaal traject mogelijk vanaf het derde studiejaar. Het onderwijsprogramma van jaar 1 en 2 zijn identiek aan Voltijd Vierjarig. Na de minor volgt het duale gedeelte van de studie (WPL 3 en WPL 4). Deze route heeft dezelfde codes als de voltijd vierjarige route (VVVA en VVVB).

Jaar 3
Semester 1 Semester 2
Minor Praktijkleren FN3
Jaar 4  
Semester 1 Semester 2
Praktijkleren FN4 of Adviesproject Adviesproject of Praktijkleren FN4

BN2020 Viaa Voltijd Versneld Driejarig (VWO-route)

Voor cognitief sterke studenten. Beginnen in hun eerste jaar ook aan onderdelen uit de bachelor fase. In deze route behaal je per studiejaar meer dan 60ECTS, gemiddeld zo'n 80 ECTS per studiejaar. In de roosters worden deze groepen met VVVK groepen aangeduid.
Let op! Deze route zal per collegejaar 2024-2025 uitfaseren.

Jaar 1
Semester 1 Semester 2
Basissemester Langdurige & Intensieve Zorg
Praktijkleren FN 2
Jaar 2
Semester 1 Semester 2
Acute Zorg & Preventieve Zorg Minor
Praktijkleren FN3
Jaar 3
Semester 3.1 Semester 3.2
Praktijkleren FN4 of Adviesproject Praktijkleren FN4 of Adviesproject

BN2020 Viaa Voltijd Verkort Driejarig (MBO-V)

Jaar 1
Blok 1.1 Blok 1.2 Blok 1.3 Blok 1.4
Basismodule Gezondheid en zorg Langdurige Zorg Intensieve Zorg Stage FN 2
Jaar 2
Blok 2.1 Blok 2.2 Semester 2
Acute Zorg Preventieve Zorg Minor
Jaar 3
Semester 1 Semester 2
Praktijkleren FN4 of Adviesproject Adviesproject of Praktijkleren FN4

BN2020 Viaa Deeltijd Verkort 2,5 jaar (instroom september)

Studenten met de vooropleiding ‘MBO-verpleegkundig niveau 4’ en een baan in het werkveld kunnen instromen in een verkorte route. Voorwaarden zijn dat zij een dienstverband van minimaal 16 uur hebben en gedurende het gehele jaar op de werkplek aan de competentie-toetsen van het werkplekleren kunnen werken. Hierdoor kan het programma voor deze route in twee en een half jaar worden afgerond. Deze route wordt aangeduid met VDVN.

Let op: De lesdagen verschuiven door de studie. Al een aantal jaar is het zo dat het eerste studiejaar de lesdag op maandag is, de eerste helft van het tweede studiejaar is de lesdag op de dinsdag, de minoren vinden plaats op de woensdag en het adviesproject op de donderdag.

Jaar 1
Blok 1.1 Blok 1.2 Blok 1.3 Blok 1.4
Basismodule Gezondheid en zorg Langdurige Zorg Intensieve Zorg Geen VBOC-blok
Werkplekleren (FN 2 WPL) en terugkomonderwijs
Jaar 2
Blok 2.1 Blok 2.2 Semester 2
Acute Zorg Preventieve Zorg Minor
Werkplekleren (FN4 WPL) en terugkomonderwijs
Jaar 3
Semester 1 Semester 2
Adviesproject Afgestudeerd

BN2020 Viaa Deeltijd Verkort 2,5 jaar (instroom februari)

Studenten met de vooropleiding ‘MBO-verpleegkundig niveau 4’ en een baan in het werkveld kunnen instromen in een verkorte route. Voorwaarden zijn dat zij een dienstverband van minimaal 16 uur hebben en gedurende het gehele jaar op de werkplek aan de competentie-toetsen van het werkplekleren kunnen werken. Hierdoor kan het programma voor deze route in twee en een half jaar worden afgerond. Deze route wordt aangeduid met VDVF.

Let op: De lesdagen verschuiven door de studie. Al een aantal jaar is het zo dat het eerste studiejaar (t/m blok 2.2.) de lesdag op maandag is, de eerste helft van het tweede studiejaar (blok 2.3 en 2.4) is de lesdag op de dinsdag, de minoren vinden plaats op de woensdag en het adviesproject op de donderdag.

    Jaar 1
Blok 1 Blok 2 Blok 3 Blok 4
X X Basismodule Gezondheid en zorg Langdurige Zorg
    Werkplekleren (FN 2 WPL) en terugkomonderwijs
 
  Jaar 2
Blok 1 Blok 2 Blok 3 Blok 4
Intensieve Zorg Geen VBOC-blok Acute Zorg Preventieve Zorg
Vervolg werkplekleren (FN 2 WPL) en terugkomonderwijs Werkplekleren (FN4 WPL) en terugkomonderwijs
 
  Jaar 3
Semester 1 Semester 2
Minor Adviesproject
Vervolg werkplekleren (FN4 WPL) en terugkomonderwijs  
       

Deeltijd Werkplekleren

Studenten dienen wijzigingen in werkplek tijdens hun studie te bespreken met de PPO-docent. Vervolgens dienen deze wijzigingen doorgegeven te worden aan het servicebureau-stage met een cc: naar PPO-docent om een nieuwe leer-werkovereenkomst te maken.

1.9 Het Bindend Studie Advies (BSA)

Wat is het?

Iedere hbo-opleiding formuleert eisen op basis waarvan in het propedeutische jaar een Bindend Studieadvies (BSA) wordt gegeven aan studenten.

Hoe werkt het?

Halverwege het jaar ontvangt de student vanuit de examencommissie een brief waarin de eisen van de BSA staan beschreven. Deze eisen zijn terug te vinden in de OER art. 7.3.
Voor 1 februari zal de PPO-docent met de student spreken als de docenten van de opleiding HBO-V van mening zijn, dat er grote twijfels zijn rond je beroepsgeschiktheid zodat je zonder al te veel gevolgen voor wat betreft studiefinanciering een andere opleiding kunt gaan volgen. De beroepsgeschiktheid is vertaald in een beroepshouding. Deze is terug te vinden in Onderwijs Online.

Wat en welke onderwijseenheden moet je halen voor een positief BSA?

In het onderwijs- en examenreglement wordt o.a. gesteld dat de student in alle routes vanuit de propedeuse toegang krijgt tot de hoofdfase (tweede studiejaar en hoger) als de student tenminste een bepaald aantal modules/onderwijseenheden heeft behaald.

Voor de Regulier voltijds traject (VVVA en VVVB) geldt dat zij onderstaand behaald moeten hebben:

  • PL FN1 Competentiebeoordeling (praktijkleren).
  • PL FN1 Intervisieverslag,
  • PPO eindverslag FN1,
  • twee van de volgende toetsen: BS1 Kennistoets, BS2 Kennistoets, LZ Kennistoets, BS2 Casustoets (BS1 en BS2)

 Voor Verkort voltijds traject (VVVN) geldt dat zij onderstaande onderwijseenheden behaald moeten hebben:

  • PL FN2 Competentiebeoordeling (praktijkleren)
  • PL FN2 Intervisieverslag,
  • PPO eindverslag FN1,
  • twee van de volgende toetsen: BB Kennistoets, LZ Kennistoets, IZ Kennistoets  IZ/LZ casustoets

 Voor Verkort deeltijd traject (VDVN, VDVF) geldt dat zij onderstaande onderwijseenheden behaald moeten hebben:

  • WPL FN2 Competentiebeoordeling (praktijkleren deeltijd)
  • PL FN2 intervisieverslag,
  • PPO eindverslag FN1

Voor deze studenten (VDVN, VDVF) geldt dat zij een studieadvies krijgen, geen bindend studieadvies. 

Zie voor verder informatie OER art. 7.3.4

Beroepshouding

Gezien de aard van het beroep van verpleegkundige, waarbij mensgerichtheid en waardige zorg centraal staan, is het belangrijk dat de student een beroepshouding ontwikkelt waarin recht wordt gedaan aan deze kernprincipes. Dat maakt het van belang dat docenten zicht hebben op dit deel van de persoonlijke en professionele ontwikkeling van de student (het zogenaamde 4-ogen principe) en indien nodig het gesprek aangaan met de student. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de verantwoordelijke docent zelf, maar vraagt ook om afstemming met andere betrokken collega’s. Bij eventuele zorgen die de betrokken docenten constateren is het de verantwoordelijkheid van de PPO docent om hierover met student in gesprek te gaan. In het gesprek worden samen met de student doelen opgesteld die in een later moment worden geëvalueerd. De beroepshouding is omschreven in Onderwijs Online. Het eerste gesprek vindt plaats voor 1 februari in verband met studiefinancieringsregels.