Spring naar inhoud

Opleidingsprogramma

3.1 Major en Minor

De reguliere deeltijd, versnelde deeltijd en praktijkpabo bestaan uit een major (een vast programma dat voor iedereen hetzelfde is) en een tweetal minoren (een keuzeprogramma) met een gezamenlijke studielast van 240 credits. De major omvat 210 studiepunten, het minorprogramma omvat 30 studiepunten. Een minor heeft een minimale omvang van 15 studiepunten. Binnen de verkorte en universitaire route kennen we geen minor programma.

De major omvat een kernprogramma en een specialisatie onderbouw of bovenbouw. Daarnaast kies je ook voor bepaalde vakprofielen.

3.2 Bekwaamheden

De deeltijdopleiding is opgezet op grond van de eisen die gelden voor het beroep van een leerkracht basisonderwijs, zoals die zijn geformuleerd in de bekwaamheden. Voor de opleiding gelden daarvoor de volgende einddoelstellingen:

1. Pedagogisch/interpersoonlijk bekwaam

Pedagogisch en interpersoonlijk bekwaam houdt in dat een leraar in staat is in zijn beroep op een adequate wijze contact te leggen met leerlingen, ouders, collega’s en externen. Hij is in staat de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van de kinderen te bevorderen en hen te helpen een zelfstandig en verantwoordelijk persoon te worden. Hij kan een veilige leefomgeving en een (christelijk) pedagogisch klimaat in zijn groep creëren en kan kinderen die extra zorg en aandacht nodig hebben vanuit een lerende houding ondersteunen.

2. Vakinhoudelijk en vakdidactisch bekwaam

Vakdidactisch bekwaam wil zeggen dat de leraar de vakinhouden leerbaar kan maken voor zijn leerlingen. Hij weet die vakinhouden te vertalen in leerplannen of leertrajecten. Hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, de vakinhouden en de inzet van de verschillende methodieken en middelen. Bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen. Hij toetst, observeert en analyseert regelmatig of de leerdoelen gerealiseerd worden en hoe dat gebeurt. Op basis van zijn analyse stelt hij zo nodig zijn onderwijs didactisch bij. Hij kan zijn onderwijs aanpassen aan de eisen die de schoolorganisatie, de overheid stellen.

3. Organisatorisch bekwaam

Organisatorisch bekwaam zijn houdt in dat de leraar in het werken met leerlingen kan zorgen voor een overzichtelijke, ordelijke, taakgerichte sfeer en structuur in de leeromgeving.

4 Bekwaam in het samenwerken met collega’s

Onderwijs maak je samen met een team van collega’s. De startende leraar kan samenwerken met zijn collega’s en optimaal van hun kwaliteiten gebruik maken. Hij kan in nauwe samenwerking met collega’s een constructieve bijdrage leveren aan het schoolbeleid en de vertaling ervan in de praktijk. Hij heeft regelmatig inbreng in het teamoverleg, komt met ideeën en voorstellen en werkt die uit tot een hanteerbaar geheel. Hij kent zijn rol in het team en hij kan die waar nodig bijstellen.

5. Bekwaam in het samenwerken met ouders en anderen die bij de school zijn betrokken.

De startende leerkracht is in staat ouders op een adequate wijze te informeren over de resultaten van het onderwijs en te overleggen met ouders. Hij kan ouders betrekken bij de stappen in de ontwikkeling van hun kind en gebruik maken van hun inbreng. Hij is in staat inbreng van experts te integreren in zijn onderwijs. Hij kan de contacten met ouders en externen goed onderhouden en vormgeven aan een professionele leergemeenschap met zijn collega’s.

6 Bekwaam in reflectie en onderzoek.

Een startende leerkracht is in staat met behulp van de reflectiecirkel te reflecteren op zijn professioneel handelen. Hij kan volgens de onderzoekscyclus een onderzoek opzetten en uitvoeren en nagaan wat de effecten zijn van zijn handelen op de prestaties van leerlingen. 

3.3 Leeruitkomsten

In elk blok werk je aan het realiseren van een leeruitkomst. Dat is een situatie in de praktijk van je onderwijs en tegelijk het thema van een blok. Alle onderwijsactiviteiten van een blok zijn gericht op het realiseren van de leeruitkomst: kennis, vaardigheden en persoonlijk meesterschap. Je oefent de leeruitkomsten tijdens je stage net zolang tot je die beheerst. Bewijs daarvan neem je op in je dossier voor het werkplekleren.

3.4 Toetsen

Elk blok sluit af met een toetsweek. Er zijn twee soorten toetsen:

  • Afsluitende toetsen waarvoor je credits krijgt.
  • Voortgangstoetsen of een formatieve toets die je inzicht geven in de stand van je kennis van een blok of (vak)onderdeel ervan.

Een afsluitende toets is bijvoorbeeld een dossier, een presentatie, een schriftelijke toets of een gesprek over een dossier. Je toont ermee aan hoe en in welke mate je de leeruitkomsten hebt gerealiseerd. Je verantwoordt je handelen aan de hand van theorie.

Naast afsluitende toetsen heb je ook voortgangstoetsen of formatieve toetsen. Ze zijn vaak ingeroosterd in de toetsweek. Zo’n toets is bedoeld om vast te stellen hoever je bent in je ontwikkeling voor wat betreft de beheersing van de doelen van een blok. Vaak gaat het over de theorie die je nodig hebt om de praktijk te kunnen ontwerpen en verantwoorden. Voortgangstoetsen zijn niet verplicht. Je krijgt er ook geen credits voor, maar je kunt de resultaten wel gebruiken om aan in de afsluitende toets aan te tonen dat je bepaalde doelen beheerst. Voor een formatieve toets die is ingeroosterd is altijd maar één gelegenheid.

Daarnaast kennen we ook een aantal verplichte toetsen op het gebied van (Engelse) taal en rekenen.  In het eerste jaar zijn dat de landelijke reken- en wiskundetoets en de toets taalvaardigheid.

Op OnderwijsOnline is er per onderwijseenheid beschreven wat de doelen voor een toets zijn. In de tentamenjaaroverzichten is per route te zien welke toetsen er zijn. De tentamenjaaroverzichten staan op OnderwijsOnline onder Informatie/EA-roosters en communicatie/Roosters voor tentaminering en toetsing.

3.5 Onderwijsprogramma

Het deeltijdprogramma bestaat uit een aantal onderwijseenheden. We hanteren een basisprogramma dat geldt voor de reguliere deeltijd. De andere routes volgen een programma dat hierop is gebaseerd. In bijlage 1 van deze studiegids is het programma voor elke route te vinden.

In het laatste halfjaar van je opleiding doe je je LIO-stage (m.u.v. zij-instroom). Je moet toestemming krijgen om te starten met je LIO. Je wordt daar te zijner tijd over geïnformeerd.

Het is handig dat je gedurende de colleges beschikt over het materiaal dat op OnderwijsOnline staat. Zorg ervoor, dat je het materiaal op papier of digitaal bij je hebt. Voor studieboeken kun je onder andere terecht bij boekhandel Goedhart (www.goedhartboeken.nl), op loopafstand van de hogeschool. De meeste titels zijn uit voorraad of binnen enkele dagen leverbaar. De boekenlijst vind je als bijlage op OnderwijsOnline; aan deze lijst kunnen geen rechten worden ontleend.

3.6 Programma aanpassen

Je kunt het programma van de deeltijd Pabo enigszins aanpassen aan jouw wensen. Je kunt sneller door de opleiding of vrijstellingen aanvragen op basis van je vooropleiding of elders verworven competenties (evc’s). Je vraagt vrijstelling aan voor de onderwijseenheden die je denkt al te beheersen op basis van bijvoorbeeld je (werk)ervaring of je vooropleiding. Je vraagt vrijstelling aan bij de examencommissie. Dit geldt voor alle routes.

De opleiding begint voor iedereen gelijk met het volgen van blok 1 en 2. Gedurende die blokken krijg je een overzicht van de leerstof op de basisschool, de opleiding, de leeruitkomsten en de bekwaamheden die er van je gevraagd worden.